Een draaiboek voor trainers van vrijwilligerscouts

 Pilot training zelforganisaties t.b.v. het begeleiden van jongeren buiten beeld

 

Inleiding
Train de vrijwilligerscouts is een draaiboek voor trainers, begeleiders die vrijwilligerscouts willen gaan inzetten om jongeren buiten beeld op te sporen, te werven, te coachen en richting de gemeentelijke contactpersoon te begeleiden. Dit draaiboek beschrijft het basistrainingsprogramma en biedt handvatten voor het opzetten en uitvoeren van het programma en intervisiebijeenkomsten.

De basistraining is ontwikkeld in het kader van de landelijke pilot ‘Training zelforganisaties t.b.v. het begeleiden van jongeren buiten beeld’. De pilot is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). De samenwerkende partijen zijn het Samenwerkingsverband Marokkaanse Nederlanders (SMN), Stichting Inspraakorgaan Turken in Nederland (IOT) en de gemeenten Den Haag, Leeuwarden en Venlo.

In de drie gemeenten zijn ook onderstaande (zelf)organisaties betrokken geweest:

  • Gemeente Venlo: Assist Jeugdwerk, Turkse Tevhit Moskee, Alevitische Culturele Vereniging;
  • Gemeente Den Haag: To the point, vrouwenorganisatie El Moustaqbal, Dab Der;
  • Gemeente Leeuwarden: Stichting Marokkaanse Religieus Centrum, ISN Ulu moskee.

De basistraining is uitgevoerd in de drie gemeenten.

Het samenwerkingsverband hoopt met dit draaiboek, samen een fundament te leggen voor de verbetering en versterking van de samenwerking tussen de overheden, instellingen, (zelf)organisaties, vrijwilligerscouts en jongeren buiten beeld zodat op een duurzame wijze maatschappelijke uitval van jongeren kan worden voorkomen.

  1. Basistraining vrijwillige jongerenscouts

Uit eerdere ervaringen met o.a. de peer supportmethode is gebleken dat een gedegen training noodzakelijk is om jongeren in staat te stellen om de peer- of jongerenscouts rol goed gestalte te geven. De basistraining is een groepstraining en heeft als primair doel om de jongerenscouts voor te breiden op hun taak, rol en werkzaamheden. Het secundaire doel is om de werkzaamheden van jongerenscouts goed af te stemmen met professionals en met het lokale aanbod, de aanpak en werkwijze.

Verder wordt tijdens de training aandacht besteed aan:

  • persoonlijke ontwikkeling;
  • vergroten van vaardigheden en gesprekstechnieken;
  • de redenen van het ‘buiten beeld zijn’;
  • welke factoren jongeren helpen om uit een negatieve spiraal te komen en hoe dit in de praktijk kan worden gerealiseerd;
  • het lokale aanbod, aanpak en werkwijze.
  • Onderwerpen basistraining
  • introductie training (doelen en programma);
  • doelgroep jongeren buiten beeld: wie zijn deze jongeren, met welke specifieke problemen kunnen zij te maken hebben;
  • rol en taken vrijwillige jongerenscouts;
  • lokaal aanbod, aanpak, werkwijze;
  • bespreking voorbeeldcasus;
  • basisvaardigheden (communicatie en wijze van benadering);
  • communicatietechniek LSD (luisteren, samenvatten, doorvragen);
  • vervolgafspraken;
  • evaluatie en afsluiting training.
  • Vaardigheden

Na de basistraining heeft de vrijwillige jongerenscout een goed beeld van:

  • de doelgroep (jongeren buiten beeld);
  • de problematiek waarmee de doelgroep te maken kan hebben;
  • de taak en werkzaamheden van betrokken professionals en welk(e) aanbod, aanpak en werkwijze op lokaal niveau aan de orde is;
  • zijn taak en werkzaamheden;
  • naar wie een jongere buiten beeld doorverwijzen kan worden;
  • de basisvaardigheden waarover een vrijwillige jongerenscout moet beschikken. De vrijwilliger kan deze vaardigheden ook toepassen;
  • manieren om een jongere buiten beeld op te vinden, te benaderen en te motiveren.
  • Basistrainingsprogramma

Het basistrainingsprogramma is flexibel van opzet en bestaat uit modules. Als trainer kun je het volledige programma volgen of een selectie maken uit onderwerpen die worden aangeboden. Je kunt ook juist kiezen voor een uitbreiding en verdieping van een bepaald onderwerp.

De training kan aangepast worden aan eigen wensen, inzichten en ideeën van de vrijwilligers. Bij een succesvolle training zijn de vorm en de inhoud wel altijd gekoppeld aan de doelstelling van de training. Daarom dien je als trainer met de onderstaande aandachtspunten en vragen rekening te houden:

  • Welk doel wil ik met de training bereiken;
  • Welke vrijwilligerscouts ga ik trainen;
  • Op welke locatie kan en wil ik de training houden;
  • Welke onderwerpen wil ik aan de orde stellen;
  • Welke boodschap wil ik overdragen;
  • Welke opdrachten en casussen wil ik behandelen;
  • Welke vorm geef ik aan de training.
  • Kennis en vaardigheden trainer

Om de vrijwilligerscouts zo goed mogelijk te kunnen trainen heb je als trainer:

  • affiniteit met de doelgroep (jongeren buiten beeld) en ben je goed op de hoogte van de positie en (mogelijke) problematiek van deze jongeren;
  • voldoende ervaring in het trainen van vaardigheden om iemand te begeleiden en gesprekstechnieken. Met deze basis kan een training op maat ontworpen en gegeven worden;
  • kennis over het aanbod, aanpak en werkwijze die op lokaal niveau wordt gehanteerd;
  • inzicht in de manier waarop een scoutingproject wordt georganiseerd en welke plaats een scoutingproject in bestaand beleid en zorgstructuren kan hebben.
  • Methode

De kernwaarden in de training zijn de actieve participatie van de cursisten en de bottum-up benadering. Actieve deelname in plaats van passief aanhoren. Tijdens de training worden cursisten gestimuleerd te participeren. Participatie leidt tot betrokkenheid, creëert het gevoel serieus genomen te worden en leidt vaak tot concrete, praktische en direct bruikbare resultaten. Als trainer leg je de nadruk op de noodzakelijke inbreng van de cursisten, die immers de expertise hebben voor de eigen situatie en wat wel en niet werkt bij de doelgroep. Ga in eerste instantie vooral uit van de ervaringen van de cursisten. En probeer zoveel mogelijk om de theorie in brokjes te behandelen en deze te koppelen aan de eigen ervaringen van de cursisten. Op deze manier bereik je een veel actievere inbreng van de cursisten. Door de theorie aan de eigen ervaringen te koppelen zal de theorie veel beter worden geaccepteerd, beklijft het beter en zal die ook beter in de praktijk toegepast worden.

Wees je ervan bewust bent dat het voor veel mensen moeilijk is om langdurig naar abstracte verhalen te luisteren. Deelnemers kunnen maar een beperkte tijd geconcentreerd naar een verhaal van een ander luisteren. Probeer verder de korte brokken theorie af te wisselen met oefensessies. Cursisten verwerven de vaardigheden het beste door het aangebodene zelf te oefenen, terwijl theoretische kennis vaak ook dieper doordringt en beklijft wanneer in een oefensituatie die kennis ook in praktijk wordt gebracht.

Verder is het ook belangrijk dat je tijdens de training een pedagogisch klimaat en leeromgeving creëert waarin groei, ontwikkeling, veiligheid en ondersteuning centraal staan. Daarnaast ben je als trainer betrokken, heb je belangstelling en geeft je de juiste aandacht aan de cursisten. In de omgang worden de cursisten positief en zonder oordeel benaderd. Als trainer zorg je er voor dat de cursisten zich veilig, begrepen en geaccepteerd voelen. En je komt als trainer zelf ook enthousiast over en presenteer je de stof op een leuke wijze. Je spreekt op de juiste wijze de cursisten aan op hun gedrag. En je hanteert methode die de cursisten stimuleert tot positieve gedragsverandering waarbij hun (verborgen) talenten en kwaliteiten versterkt en benut worden. De trainingsmethode die je als trainer hanteert is tevens ook de methode die de vrijwillige jongerenscouts tijdens de training aangeleerd krijgen om in de praktijk te gaan uitoefenen. Als trainer ben je tijdens de training dus het levend voorbeeld van de methode!

  • Tijdsduur

De jongerenscouts volgen een basistraining van 2 tot 3 dagdelen, voordat zij de jongeren

buiten beeld gaan benaderen en ondersteunen. De basistraining duurt 8 tot 10 uur. Dezen kan eventueel verspreid worden over twee tot drie losse dagdelen. De tijdsduur is ook afhankelijk van de groepsgrootte. Hoe groter de groep, hoe meer tijd je nodig hebt om iedereen voldoende aandacht te geven en om voldoende oefenmogelijkheden te bieden.

  • Groepsgrootte

De groep bestaat uit minimaal 5 en maximaal 12 deelnemers. Houd de groep(en) klein, zodat alle cursisten voldoende individuele aandacht kunnen krijgen. Kleine groepen verhogen betrokkenheid en  leerresultaat.

  1. Vrijwillige jongerenscouts

De kerntaak van de jongerenscouts is om jongeren buiten beeld te vinden, werven, coachen en door te verwijzen. Tijdens het gehele traject motiveren de jongerenscouts jongeren om in het traject te blijven. Verder beantwoorden zij de vragen van jongeren en organisaties. Zij leveren ook concrete input en/of adviezen aan de pilot. Ze denken mee, beslissen mee en zijn “gelijkwaardige” partners.

Daarnaast fungeert de jongerenscout als:

  • contactpersoon voor gemeente, andere begeleiders en de jongere zelf;
  • raadgever en een rolmodel, waarmee een jongere zich kan identificeren;
  • Laagdrempelige hulpverlening door te luisteren en te adviseren.
  • Profiel vrijwillige jongerenscout
  • Woonachtig in de betreffende gemeente;
  • Verbonden aan een zelforganisatie;
  • Beschikt over een netwerk van jongeren;
  • Is enthousiast en gemotiveerd;
  • Heeft interesse in en affiniteit met de doelgroep: jongeren buiten beeld tussen 18 en 27 jaar;
  • Is in staat contact te leggen met jongeren en hen te activeren en motiveren richting een gemeentelijk) traject;
  • Beschikt over goede communicatieve vaardigheden (men communiceert oprecht en kan goed luisteren);
  • Is in staat om met de contactpersoon van de gemeente of andere begeleiders af te stemmen en te overleggen;
  • Is bereid om in een team te werken;
  • Is bereid om een korte training te volgen;
  • Is 18 jaar of ouder.
  • Afspraken met de vrijwillige jongerenscouts

Met de jongerenscouts wordt een aantal spelregels afgesproken. Dit wordt opgenomen in een samenwerkingsovereenkomst waarin de volgende elementen zijn opgenomen:

  • Jongerenscouts volgen een basistraining;
  • Jongerenscouts bieden terugkoppeling en inzicht in hun ervaringen en werkzaamheden;
  • Jongerenscouts bepalen zelf de vindplaatsen;
  • Tijdens de uitvoeringsfase besteden jongerenscouts ongeveer drie uur per week aan het vrijwilligerswerk;
  • Jongerenscouts werken op vrijwillige basis. Zij ontvangen een vrijwillige onkostenvergoeding voor hun inzet;
  • Aan het eind van de pilot ontvangen de jongerenscouts een certificaat.
  • Voordelen voor de vrijwillige jongerenscouts
  • de mogelijkheid om een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling van een nieuwe benaderingswijze en aanpak voor jongeren buiten beeld;
  • de mogelijkheid om samen te werken met professionals uit het veld zoals met een contactpersoon van de gemeente;
  • de mogelijkheid om op individueel niveau vaardigheden op te doen en te toetsen in het werken met deze uitdagende doelgroep;
  • interessante training;
  • een certificaat;
  • een onkostenvergoeding voor de werkzaamheden;
  • een goede aanvulling op de CV.
  1. Methodiek: een vorm van peer support

Vrijwilligerscouts die andere jongeren activeren, motiveren en begeleiden moeten zelf gelinkt zijn aan een zelforganisatie. Dit vloeit voort uit de methodiek van peer support. Deze methode hanteert een vorm van peer support waarbij niet per se altijd sprake moet zijn van leeftijdsgenoten of lotgenoten. Hierbij gaat het om een vorm van peer support waarbij hulp of ondersteuning geboden wordt van personen (jongerenscouts) met een vergelijkbare sociale achtergrond, die geen ‘professionals’ zijn. In de praktijk kan het gaat om jongerenscouts die soms oudere ervaringsdeskundigen zijn die jongeren gaan helpen met behulp van eigen kennis, inzichten en ervaringen. De jongerenscouts spelen een belangrijke rol, als intermediair in het verlagen van de drempel van het gemeentelijke instellingen/aanbod.

  • Uitgangssituatie van de methodiek

De filosofie achter deze werkwijze is de zogenaamde “peer to peer” benadering of meer specifiek “peer support”. Peer support gaat ervan uit dat mensen in een bepaalde situatie het best geholpen kunnen worden door mensen die tot dezelfde situationele groep behoren. Bij deze visie wordt er vanuit een positieve vaardigheidsbenadering dan ook sterk het accent gelegd op het stimuleren van sociale- en communicatievaardigheden (‘lifeskills’).

  • Een vorm van vindplaatsgericht werken

Een groot voordeel van de methodiek ‘ peer support’ is dat de interactie plaatsvindt in ‘natuurlijke situaties’: jeugd- en jongerenwerk, jongeren- en buurtcentra, wijk, straat, hangplekken, zelforganisaties, in het café etc.

  • Werkwijze en het coachen van jongerenscouts

Jongerenscouts reiken zelf ideeën en oplossingen aan om jongeren buiten beeld te bereiken. En krijgen de kans om mogelijke problemen te herdefiniëren vanuit hun leefwereld en definiëren zelf de aanpak. De training en coaching van jongerenscouts is gericht op zowel de ontwikkeling van de jongerenscouts zelf als op begeleiding van jongeren buiten beeld. Het eigen potentieel is het vertrekpunt. De training richt zich verder op het coachen van de jongerenscouts bij het formuleren van realistische doelen en het verwezenlijken van de gestelde doelen. Verder is de training en coaching gericht op zelfstandigheid van de jongerenscouts.

 

  1. Voorbeeldprogramma basistraining vrijwillige jongerenscouts

09.30 – 10.00 uur     Aankomst & ontvangst met koffie/thee

10.00 – 10.30 uur     Welkomstwoord, kennismaking, doel trainingsprogramma

10.30 – 11.30 uur      Jongeren buiten beeld

11.30 – 11.45 uur       Pauze

11.45 – 12.45 uur       Bereik doelgroep, rol en taken jongerenscouts

12.45 – 13.30 uur      Lunch

13.30 – 14.30 uur      Lokaal aanbod, aanpak en werkwijze

14.30 – 14.45 uur      Pauze

14.45 – 15.45 uur       Casusbespreking

15.45 – 16.00 uur       Pauze

16.00 – 17.00 uur       Basisbehoeften en positieve benaderingwijze

17.00 – 17.15 uur         Pauze

17.15 – 18.15 uur          Basisvaardigheden communicatie, oefenen met LSD (luisteren, samenvatten, doorvragen)

18.15 – 18.30 uur         Vragen, aandachtspunten, vervolgafspraken

18.30– 18.45 uur          Evaluatie

18.45 uur                         Einde

 

  1. Inhoud basistraining

De inhoud van de training is niet alleen voorschrijvend en theoretisch, maar laat ook veel ruimte voor de inbreng van eigen kennis, visie en ervaringen van de deelnemers.

  • Kennismaking

De training start met een kennismakingsronde. De kennismaking bij de start is kort, omdat de training de kennismaking ook combineert met de inhoud van de training. Gedurende het trainingsprogramma komt er steeds meer informatie beschikbaar over de cursisten.

Het doel van de kennismakingsronde is om trainer(s) en cursisten nader met elkaar kennis te laten maken, vertrouwd met elkaar raken en een prettige (werk)sfeer te creëren. Het is handig als je je als trainer als eerste voorstelt en ook een paar persoonlijke details over jezelf vertelt. Op deze manier geef je meteen het goede voorbeeld, maak je de afstand tot de cursisten kleiner en creëer je een klimaat van veiligheid. Er zijn verschillende manieren om een kennismakingsronde te houden. Bij een kennismaking is het belangrijk het kort te houden zodat alle cursisten evenveens aandacht krijgen en het niet veel programmatijd in beslag neemt. Verder is het belangrijk dat iedereen aan het woord komt, zodat de drempel voor de cursist om zich actief op te stellen wat lager wordt. Daarnaast kun je als trainer de kennismaking aangrijpen om iets meer te weten te komen van de achtergronden, verwachtingen en leerdoelen van de cursisten. Om hun gemoedstoestand af te stemmen (hoe zit je erbij vandaag?) en of ze er zin hebben om met de training aan de slag te gaan. Die informatie kun je gebruiken om het trainingsprogramma zo goed mogelijk bij de wensen van de cursisten aan te laten sluiten. Het meest ideaal is als de kennismakingsronde gelijk al een eerste communicatie oefening is.

De kennismakingsrondetijd is afhankelijk van het aantal cursisten en het trainingsprogramma. Bij de kennismakingsronde gaat het vooral om de volgende vragen:

  • Wie ben je (naam en leeftijd)
  • Waar kom je vandaan?
  • Wat doe je in het dagelijks leven?
  • Wat verwacht je te leren van de training?

Andere vragen zijn uiteraard ook denkbaar.

  • Introductie basiscursus

Neem uitgebreid het programma door met de cursisten en check of de cursisten zich in het programma kunnen vinden. Dat verhoogt betrokkenheid en gevoel van veiligheid. De introductie omvat alle informatie die ervoor zorgt dat de cursisten, bij de start, een goed beeld krijgen van het doel en de opbouw van het cursusprogramma (wat gaan we doen, waarom gaan we dit doen en hoe lang duurt het etc.). En welke regels en afspraken er gelden om ervoor te zorgen dat de training soepel en plezierig verloopt.

  • Doelgroep: jongeren buiten beeld

Bij dit onderdeel gaat het om de vragen:

  • wie zijn de jongeren buiten beeld;
  • met welke mogelijke problemen kunnen zij te maken hebben;
  • op wie gaan we ons op richten?

Het doel van dit onderdeel is dat cursisten zicht krijgen op een duidelijk profiel van de doelgroep met achtergrond en leefsituatie en de oorzaken voor het buiten beeld raken.

Er zijn verschillende manieren om dit onderdeel te behandelen. Hieronder zijn twee suggesties op een rij gezet.

Suggestie 1: Kennisoverdracht met  PowerPoint presentatie

Via het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zijn verschillende (onderzoek)documenten te verkrijgen waarin wordt ingezoomd op het profiel van deze jongeren en de oorzaken voor het buiten beeld raken.

Als trainer kan je er voor kiezen om door middel van een PowerPoint presentatie dit onderdeel te behandelen. Als je voor deze methode kiest is het belangrijk dat je de theorie in korte brokken presenteert en behandelt. Na ieder onderdeel is het voor cursisten mogelijk om vragen te stellen, commentaar te leveren, eigen ervaringen te delen etc. Hierdoor behoud je de betrokkenheid van de cursisten bij het onderwerp. Verder moet je bij deze vorm ermee rekening houden dat cursisten maximaal twintig minuten geconcentreerd naar een verhaal van een ander kunnen luisteren!

Suggestie 2: Kennisoverdracht op interactieve werkwijze

Als trainer kun je er ook voor kiezen om op een interactieve werkwijze dit onderdeel te behandelen. Met deze methode breng je met de cursisten in kaart wat het profiel van jongeren buiten beeld is en wat de oorzaken voor het buiten beeld raken zijn. Met deze methode zoek je aansluiting bij wat de cursisten al weten, laat je ze zelf nadenken en moedig je actieve participatie aan.

  • Bereiken jongeren buiten beeld. Rol en taken jongerenscouts

Tijdens dit onderdeel wordt samen met de cursisten in beeld gebracht op welke wijze zij de jongeren buiten beeld kunnen bereiken. Tevens wordt op een interactieve manier met de cursisten bepaald wat de taak en rol van de vrijwillige jongerenscouts moet zijn. Tijdens dit onderdeel worden de cursisten aangemoedigd tot actieve participatie en worden zij ge-empowered in hun voorbeeld- en sleutelrol, zodat zij deze op een positieve manier kunnen inzetten. De training biedt een werkwijze aan die de cursisten kunnen gebruiken om jongeren buiten beeld te helpen om hun zelfvertrouwen, zelfbewustzijn en positief zelfbeeld te vergroten.

Vindplaatsen jongeren buiten beeld

Stap 1: De cursisten reiken zelf ideeën aan waar de jongeren te vinden zijn. Noteer alle vindplekken die de cursisten benoemen op een bord of flip-over, zoals in onderstaand voorbeeldoverzicht.

  • In het centrum/hangplekken;
  • Buurt/straat;
  • Horecagelegenheden;
  • Coffeeshops;
  • Shisha lounges;
  • Buurtcentra;
  • Thuis/familie;
  • Via vriendenkring;
  • Religieuze instellingen;
  • Sportverenigingen;

Stap 2: Bespreek de vindplaatsen en neem ze samen met de scouts door. Check samen of de vindplaatsen voor de scouts ook toegankelijk en bereikbaar zijn. Streep de vindplaatsen door die niet toegankelijk zijn. Zo wordt voor de scouts duidelijk op welke vindplaatsen zij zich moeten gaan focussen.

Taak jongerenscouts

Stap 1: Op interactieve wijze reiken de deelnemers zelf ideeën aan wat de taak van de jongerenscouts moeten zijn. Noteer alle taken die de cursisten benoemen op een bord of flip-over, zoals in onderstaand voorbeeldoverzicht.

  • Opsporen van jongeren;
  • Benaderen van jongeren;
  • Het verhaal van de jongeren in beeld krijgen;
  • Jongeren informeren (over de dienstverlening van de gemeente);
  • Jongeren activeren;
  • Jongeren motiveren;
  • Jongeren aanmelden bij de contactpersoon van de gemeente, zodat ze naar werk of opleiding begeleid kunnen worden;
  • Nazorg bieden.

Stap 2: Bespreek samen of de genoemde taken werkelijk de juiste taken zijn van de scouts. Bepaal samen, op interactieve wijze, wat de taken van de scouts moeten zijn.

Rol en functie jongerenscouts

Stap 1: Op interactieve wijze reiken de cursisten zelf ideeën aan wat de rol en functie van de jongerenscouts moeten zijn. Noteer alle rollen en functies die de cursisten benoemen op een bord of flip-over, zoals in onderstaande voorbeeldoverzicht.

  • contactpersoon voor gemeente, andere begeleiders en de jongere zelf;
  • sleutelrol;
  • coach;
  • raadgever en rolmodel;

Stap 2: Bespreek en check samen of de genoemde rollen werkelijk de juiste rollen zijn van de scouts. Bepaal samen, op interactieve wijze, wat de rollen van de scouts moeten zijn.

De cursisten worden tijdens dit onderdeel aangemoedigd om bewust te worden van hun voorbeeld- en sleutelrol. Doel van dit onderdeel is dat de cursisten bewust worden van het feit dat zijzelf eerst het eigen zelfvertrouwen en een positief zelfbeeld moeten ervaren, voordat zij jongeren buiten beeld kunnen benaderen. Alleen dan kunnen de scouts jongeren helpen met hun zelfvertrouwen, zelfbewustzijn en positief zelfbeeld. Zo helpen zij jongeren meer vertrouwen te krijgen in een positief toekomstperspectief.

De trainingsmethode die je als trainer voor dit onderdeel kan gebruiken is de cursisten aan te moedigen om datgene waar zijzelf trots op zijn, wat zijzelf hebben bereikt, te presenteren. Tijdens dit onderdeel ga je samen met de overige cursisten voelen en waarnemen of de cursist in staat is om dat trotse gevoel over te brengen. Daar waar nodig kun je de cursist helpen om het trotse gevoel bij zichzelf op te roepen door een positieve spiegel voor te houden, zodat hij/zij bewust wordt van de positieve bereikte resultaten en door positieve feedback te geven. Wanneer een cursist moeite heeft om het trotse gevoel bij zichzelf op te roepen kun je met een rollenspel een oefensituatie creëren waarin de cursist aangemoedigd wordt om aan positieve ervaringen uit het verleden te denken (mindfullness oefening). Positieve gedachten creëren positieve gevoelens. Zodra de cursist door middel van positieve gedachten in contact komt met dat positieve gevoel, dan kun je makkelijker de overstap maken naar een trots gevoel.

  • Lokaal aanbod, aanpak en werkwijze

Doel van dit onderdeel is dat de cursisten een helder en een goed beeld krijgen van het lokale aanbod, de aanpak en werkwijze. Zo kunnen zij de jongeren hierover goed informeren. Als je over voldoende kennis beschikt over de lokale sociale kaart en het aanbod dan kun je dit onderdeel als trainer zelf verzorgen. Het alternatief is dat je dit onderdeel laat verzorgen door een gasttrainer of een vertegenwoordiger van een lokale instelling, die wel over voldoende kennis over van de lokale sociale kaart beschikt. Ook bij dit onderdeel is het belangrijk dat de presentatie in korte brokken gepresenteerd wordt. Na ieder brokje wordt voor de cursisten de mogelijkheid gecreëerd om vragen te stellen, commentaar te leveren, eigen ervaringen te delen etc. Zo blijft de betrokkenheid van de cursisten bij het onderwerp behouden. En ook bij dit onderdeel geldt: deelnemers kunnen maximaal twintig minuten geconcentreerd naar het verhaal van een ander luisteren.

  • Casusbespreking en aansluiting zoeken bij de lokaal aanbod, aanpak en werkwijze

Bij dit onderdeel gaan de cursisten, met een voorbeeld praktijkcasus, op interactieve wijze een relatie leggen met het lokale aanbod, de aanpak en werkwijze. Ook tijdens dit onderdeel worden de cursisten aangemoedigd tot actieve participatie.

Voorbeeld praktijkcasus:

X is 22 jaar en is gestopt met school in de derde klas van het vmbo-tl (theoretische leerweg). X is door school verwijderd vanwege gedragsproblemen. X heeft geen startkwalificatie, volgt geen onderwijs en heeft geen werk. Daarnaast heeft hij ook geen uitkering. Formeel heeft X geen inkomstenbron. X woont nog thuis bij zijn ouders, maar het is onduidelijk of hij werkelijk op het adres van zijn ouders staat ingeschreven. X is hier vaag over.

Zijn vader zit in de WAO en zijn moeder heeft nooit gewerkt. X heeft met zijn 3 oudere broers een moeizame relatie. Met zijn twee oudere zussen heeft hij een redelijk goed contact. Alle broers en zussen wonen niet meer huis. De ouders lijken het vertrouwen en de grip op hun zoon kwijt te zijn.

X hangt veel op straat, blowt veel en vertoont agressief gedrag. X maakt van de dag een nacht en heeft geen gezonde structuur. X heeft geen dagbesteding, geen schoolritme, geen werkritme, geen toekomstperspectief en dreigt af te glijden naar criminaliteit.

Door zijn gedrag loopt X tegen heel veel bekeuringen op: rijden zonder rijbewijs, ongelukken maken met onverzekerde voertuigen, rijden zonder bromfietshelm, etc. Ook zijn zorgverzekering betaalt hij niet. X heeft ongeveer € 20.000, – aan schulden.

X denkt concreet en alleen op korte termijn. Hij overziet de lange termijn gevolgen van zijn handelen niet. Bijvoorbeeld: ‘Ik heb nu geld, ik kan nu dus uitgeven.’ ‘Ik snap het niet, dus ik stop ermee.’ ‘Mijn band is lek, dus ik kan niet naar mijn werk of school.’ Zelf tot andere oplossingen komen gaat moeizaam.

X heeft geen idee wat hij wil, wat hij kan en welke stappen hij moet ondernemen om in beweging te komen, om zijn problemen op te lossen, om aan het werk te komen en/of in een scholingstraject te komen. Eerdere bemiddeling naar school en werk heeft niets uitgehaald.

Er zijn verschillende manieren om dit onderdeel te behandelen. Hieronder zijn twee suggesties op een rij gezet.

Suggestie 1: Plenaire bespreking

Stap1: deel de praktijkcasus uit en vraag de cursisten deze eerst te lezen.

Vraag aan de cursisten, eventueel in steekwoorden, op te schrijven wat de casus bij hen oproept, met hun doet (emoties, gevoelens, gedachten, vragen die naar bovenkomen). Welke relatie kunnen zij leggen met het lokale aanbod, de aanpak en werkwijze. Leg uit waarom.

Stap 2: bespreek plenair wat de casus bij de cursisten heeft opgeroepen, met hen heeft gedaan (emoties, gevoelens, gedachten, vragen die naar bovenkomen)

Stap 3: bespreek plenair welke relatie de cursisten met het lokale aanbod, de aanpak en werkwijze hebben gelegd. Laat uitleggen waarom.

Stap 4: Maak ruimte voor een korte plenaire bespreking over eventuele verschillende zienswijze van de cursisten.

Stap 5:  Geef antwoorden. Leg uit hoe de professionals een relatie tussen de casus het lokale aanbod leggen.

Suggestie 2: verdeel de cursisten in groepen van twee, drie of vier cursisten

Stap1: deel de casus uit en vraag aan de cursisten om deze te lezen en met elkaar te bespreken. Vraag om samen het antwoord te vinden op de vraag welke relatie zij kunnen leggen met het lokale aanbod, aanpak, werkwijze. Laat uitleggen waarom zij tot die relatie zijn gekomen.

Stap 2: vraag aan de (sub)groepen een presentatie te geven over welke link zij hebben gelegd met het lokale aanbod, de aanpak en werkwijze. Laat uitleggen waarom.

Stap 3: Maak ruimte voor een korte plenaire bespreking over eventuele verschillende zienswijze van de groepen.

Stap 4: :  Geef antwoorden. Leg uit hoe de professionals een relatie tussen de casus het lokale aanbod leggen.

Doel van dit onderdeel: cursisten hebben een helder en duidelijk beeld van het lokale aanbod, de aanpak en werkwijze. Zo kunnen zij, vanuit hun sleutelrol en de casus, jongeren buiten beeld goed informeren.

  1. Basisbehoeften, positieve benaderingwijze
  • Basisbehoeften

Naast fysieke behoefte, zoals behoefte aan onderdak, voeding en slaap, heeft de mens ook emotionele basisbehoeften. Als één of meer basisbehoeften niet zijn beantwoord, niet gevoeld, niet kunnen worden ingevuld, dan ontstaan er problemen. We ervaren dan spanning en onbalans in ons systeem. Als je inzicht hebt in deze basisbehoeften kun je erachter komen waarom je doet wat je doet. Bij benadering van moeilijk bereikbare of niet motiveerbare jongeren is het van belang om rekening te houden met deze basisbehoeften.

De basisbehoeften zijn:

  • Liefde;
  • Aandacht;
  • Veiligheid;
  • Geborgenheid;
  • Onvoorwaardelijkheid;
  • Gezien en gehoord worden;
  • Het welkom op de wereld zijn.

Basismethode:

Toon de lijst van basisbehoeften en bespreek die met de cursisten. Leg aan de cursisten uit dat als één of meer basisbehoeften niet zijn beantwoord, niet gevoeld of niet ingevuld kunnen worden dat er dan problemen kunnen ontstaan. Wanneer deze basisbehoeften niet zijn ingevuld kan dat leiden tot een minder goede mentale en lichamelijke gezondheid.

  • Bespreek elk van deze basisbehoeften en leg telkens uit welke gevolgen het heeft wanneer deze ontbreken;
  • Wanneer je als trainer in staat bent om jouw persoonlijk verhaal en geschiedenis aan dit onderdeel te koppelen dan is dat een pre. Op deze manier maak je het persoonlijker, komt het verhaal beter over en creëer je een klimaat van veiligheid;
  • Nodig de cursisten uit om situaties uit hun persoonlijk leven te benoemen waarin ze de basisbehoeften herkennen;
  • Vraag aan de cursisten een rangorde in deze behoeften aan te brengen: welke herkennen zij het meest bij de jongeren die zij kennen? Welke gedrag herkennen zij? Welk gedrag vinden zij voor jongeren het meest risicovol?

Doel van dit onderdeel: cursisten kunnen meer begrip en empathie opbrengen voor de situatie van jongeren buiten beeld.

  • Positieve benaderingwijze

De scoutingmethode hanteert een positieve aanpak en benadering. De cursisten worden tijdens dit onderdeel getraind om jongeren positief te benaderen. Tijdens dit onderdeel wordt de theorie afgewisseld met praktijkoefeningen. Ook tijdens dit onderdeel worden de deelnemers aangemoedigd tot actieve participatie en worden zij ge-empowered in hun taak, rol en vaardigheden.

Uitgangspunten positieve benaderingswijze

De scout is betrokken, toont belangstelling en geeft de juiste aandacht aan de jongeren. In de omgang worden de jongeren positief, motiverend, stimulerend en onbevooroordeeld benaderd. Zo voelen de jongeren zich als persoon geaccepteerd, kan een negatieve spiraal doorbroken worden en wordt een vertrouwensband opgebouwd. De scout zorgt ervoor dat de jongeren zich begrepen en geaccepteerd voelen. De scout spreekt op de juiste wijze de jongeren aan op hun gedrag. Hij hanteert hierbij een methode die individuele jongeren stimuleert tot positieve gedragsverandering. De benadering is niet bedoeld om verantwoordelijkheden over te nemen, maar juist om hen te stimuleren in het inzetten van eigen kracht. De benadering is erop gericht jongeren te leren reflecteren en om foutieve denkbeelden om te zetten naar hernieuwd zelfvertrouwen en perspectief.

De belangrijkste aspecten van de positieve benaderingswijze op een rijtje:

  • Open houding Gelijkwaardig
  • Onbevooroordeeld Nu en de toekomst
  • Juiste aandacht Interesses en dromen
  • Betrokken Gehoord en gezien worden
  • Leef je in Duidelijkheid
  • Acceptatie Motiverend
  • Belangstelling Stimulerend
  • Geïnteresseerd Eigenkracht
  • Positief Medeverantwoordelijk

Ga met een open houding en onbevooroordeeld het gesprek in en heb aandacht voor het verhaal van de jongere. Wees betrokken en leef je in. Accepteer de jongere in al zijn aspecten. Wees belangstellend en geïnteresseerd. Wees niet alleen geïnteresseerd in de problemen, maar ook in de positieve kanten van het verhaal. Wees positief en behandel de jongere gelijkwaardig. Laat het verleden het verleden en richt je vooral op het nu en de toekomst. Sluit je vooral aan bij de interesses en dromen van de jongere. Bouw met de jongere een relatie op waarin hij zich gehoord en gezien voelt, zodat hij verantwoordelijkheid gaat nemen voor zijn eigen leven. Dring je niet op, maar geef hem ook de tijd en ruimte om zichzelf en zijn leefwereld bloot te geven. Het is niet nodig om alles onmiddellijk te weten. De positieve benadering van de jongere zorgt voor het vermijden van drempels in het contact. Op die manier kun je komen tot een gelijkwaardige relatie. Observeer, stel dingen vast en vraag op leergierige en geïnteresseerde manier door. Versterk de positieve eigenschappen en de eigen kracht van de jongere. Wees duidelijk, motiveren en stimulerend. Maak de jongere medeverantwoordelijk voor het vervolgtraject en de oplossingen. Vier de successen.

Rollenspel

Nadat je de theorie hebt uitgelegd ga je aan de slag met praktijkoefeningen (rollenspel).

De bedoeling van een rollenspel is dat je situaties na gaat spelen. Tijdens het rollenspel kruipen cursisten in de rol van de vrijwilligerscout en in de rol van een jongere buiten beeld.

Stap 1: nodig één cursist uit voor het rollenspel. Jij als trainer kruipt in de rol van een jongere buiten beeld. De cursist kruipt in de rol van de scout. Tijdens het rollenspel krijgt de cursist de gelegenheid om de positieve benaderingswijze te oefenen.

  • Zorg ervoor, als het even kan, dat de eerste oefening(en) slagen. Dat kun je bereiken door oefeningen in het begin niet te moeilijk te maken. Je kunt organiseren dat de wat steviger cursisten als eersten aan bod komen;
  • Na de oefening ga je deze nabespreken en feedback geven met de theorie in de hand. Binnen deze stap ligt vaak het belangrijkste leermoment;
  • Beloon dat wat goed gaat duidelijk en leg niet te veel nadruk op wat fout gaat. Voer consequent een regie waarin je eerst benoemt wat goed gaat en pas in een tweede ronde wat verbeterd kan worden;
  • Positieve kritiek werkt veel beter dan negatieve. Als je wat positiefs over het optreden van de cursist zegt, ontstaat bij de betrokken zeker veel meer ruimte om een kritische opmerking te accepteren.

Stap 2: nodig een andere cursist uit voor het rollenspel. Jij als trainer kruipt weer in de rol van een jongere buiten beeld. En de cursist kruipt in de rol van de scout.  Tijdens het tweede rollenspel maak je de oefening iets gecompliceerder. De graad van moeilijkheid bouw je langzaam op. Pas je aan aan het niveau van de cursisten. Na de oefening ga je weer nabespreken en feedback geven met verwijzing naar de theorie.

Stap 3: nodig een andere cursist uit voor het rollenspel. Dit keer kruip jij als trainer in de rol van de scout, de cursist kruipt in de rol van een jongere buiten beeld. De cursist krijgt de opdracht om zijn rol zo moeilijk en gecompliceerd mogelijk te spelen. Tijdens dit rollenspel ga jij als trainer de positieve benaderingswijze demonstreren. Na de oefening ga je de oefening nabespreken en feedback geven. Tijdens dit rollenspel demonstreer je ook de LSD communicatietechniek, die je al eerder in de training hebt behandeld.

  1. Basisvaardigheden en communicatietechniek LSD (luisteren, samenvatten, doorvragen)

LSD staat voor: Luisteren, Samenvatten, Doorvragen.

In de communicatie is het belangrijk om te achterhalen wat voor de ander belangrijk is, zodat:

  • je betere beslissingen kunt nemen;
  • je beter kunt aansluiten op de ander;
  • je een oplossing vindt voor het echte probleem.

Om het echte probleem of onderliggend belang te achterhalen is het goed om te luisteren, door te vragen en daarna te luisteren naar het antwoord, verder te vragen en tussentijds de antwoorden kort samen te vatten om te checken of je het goed begrepen hebt.

Nadat de theorie uitgelegd en geïllustreerd is gaan de cursisten aan de slag met praktijkoefeningen. Tijdens dit onderdeel worden de deelnemers aangemoedigd tot actieve participatie en worden zij ge- empowered in hun communicatievaardigheden. Gedurende de training demonstreert de trainer deze communicatietechniek. Bij dit onderdeel check je ook of de cursisten het is opgevallen dat jij als trainer gedurende de hele training deze communicatietechniek al hebt gebruikt.

Rollenspel

Nadat je de theorie hebt uitgelegd ga je aan de slag met praktijkoefeningen (rollenspel).

Tijdens een rollenspel kruipen cursisten in de rol van de scout en in de rol van een jongere buiten beeld.

Stap 1: nodig één cursist uit voor het rollenspel. Jij als trainer kruipt in de rol van een jongere buiten beeld. De cursist kruipt in de rol van de scout. Tijdens het rollenspel krijgt de cursist de gelegenheid om de positieve benaderingswijze en de LSD communicatietechniek te oefenen. Na de oefening ga je de oefening nabespreken en feedback geven.

Stap 2: herhaal stap 1 totdat alle cursisten voldoende gelegenheid hebben gehad om te oefenen in hun sociale- en communicatievaardigheden. Zo worden ze in staat gesteld om de rol van jongerenscout goed gestalte te geven.

  1. Vragen, aandachtspunten en vervolgafspraken

Tijdens dit onderdeel wordt er ruimte gecreëerd voor (onbeantwoorde) vragen, aandachtspunten en vervolgafspraken.

  • Welke vragen zijn nog niet beantwoord;
  • Welke aandachtpunten zijn er voor het vervolg;
  • Welke vervolgafspraken dienen er gemaakt te worden;
  1. Evalueren en afsluiten van de training

Voor de verdere ontwikkeling en verbetering van de training is het belangrijk om feedback te ontvangen van cursisten op de training en trainers. De training wordt aan het eind met de cursisten zowel mondeling (plenair) als schriftelijk (individueel) geëvalueerd.

  1. Intervisiebijeenkomsten

Gedurende de periode waarin de jongerenscouts jongeren buiten beeld ondersteunen is het sterk aan te bevelen om intervisiebijeenkomsten te houden waarin tijdig besproken kan worden wat wel of niet goed gaat. De intervisiebijeenkomsten geven de vrijwilligerscouts tevens de gelegenheid hun ervaringen met het ondersteunen van de jongeren buiten beeld in te brengen en te bespreken Verder kan tijdens de intervisiebijeenkomsten dieper worden ingegaan op hoe de zaken zijn verlopen en kan er tijdig bijgestuurd worden. Ook kunnen de effecten en bereikte resultaten met de werkwijze aan bod komen. De intervisiebijeenkomst is tevens een terugkombijeenkomst na de basistraining.  Daarnaast is het een extra ontmoetingsmoment voor de scouts onderling en kan hun werk, daar waar nodig, nieuw leven ingeblazen worden.

Het Samenwerkingsverband Marokkaanse Nederlanders en het Inspraakorgaan Turken in Nederland (IOT) gaan voor Team Aanpak Jeugdwerkloosheid een training voor vrijwilligers ontwikkelen. De training is bedoeld voor sleutelpersonen en rolmodellen die door hun vrijwilligerswerk veel laagdrempelig contact hebben met jongeren buiten beeld die voor gemeenten en UWV juist moeilijk bereikbaar zijn. De vrijwilligers krijgen informatie over de werkwijze en regelgeving van de gemeente zodat zij deze jongeren beter kunnen begeleiden naar de gemeente voor toeleiding naar een stage of een (leerwerk)baan.

Door de trainingen voor vrijwilligers en het opstellen van een ‘sociale kaart’ wil Team Aanpak Jeugdwerkloosheid de gemeenten ondersteunen bij het in beeld brengen van deze jongeren en bij het matchen op werk.

Dit pilot project start in september 2016 en wordt afgerond op 1 maart 2017.

Bezoek de website voor meer informatie.

 

Gisteravond was de documentaire 'Enkele reis naar het Kalifaat' op de landelijke televisie te zien. De hoofdpersonen uit de VARA-documentaire Enkele Reis naar het Kalifaat, maken deel uit van het Platform Achterblijvers. Een groep mensen, van wie het familielid is uitgereisd naar het Kalifaat of van wie het familielid is geradicaliseerd.

Heeft u ook te maken (gehad) met radicalisering of bent u ook een achterblijver en heeft u behoefte aan lotgenotencontact? Sluit dan aan bij het Platform Achterblijvers. Gedeelde smart is immers halve smart.

De aflevering van "Enkele reis naar het kalifaat" gemist? Bekijk hem hier terug.

Radicalisering kan veel pijn en verdriet veroorzaken. Wij, familieleden van een geradicaliseerde zoon, dochter, partner, broer of zus hebben radicalisering van dichtbij meegemaakt. De impact die een geradicaliseerd en/of uitgereisd gezins- of familielid op een familie heeft, wordt vaak onderschat. Wij zitten met veel vragen en hebben te maken met een overheid en hulpverleners die soms ook nog zoekende zijn naar gepaste antwoorden. Het belang van de families staat niet altijd voorop, de geboden hulpverlening is geregeld niet deskundig en er is weinig nazorg. Een schrijnend voorbeeld is dat betrokkenen geen overlijdensakte kunnen krijgen wanneer hun kind omgekomen is. Met alles gevolgen van dien.

Ook hebben we te maken met vooroordelen en stigma’s van media en publiek. Men ziet ons als gefaalde opvoeders, ouders/familie van terroristen etc.

Gelukkig vinden wij veel steun bij elkaar als lotgenoten. Om over de impact, het verdriet, de onzekerheid en angst te kunnen praten, maar ook over praktische zaken. Iemand die in hetzelfde schuitje zit heeft tenminste begrip voor de situatie. Daarom is het initiatief Platform Achterblijvers opgezet.

Meer weten? Bezoek de website

In Nederland leeft rond de 20 à 23 procent van de personen uit de Marokkaanse en Turkse gemeenschap in armoede. Zij hebben iedere maand moeite om de huur te betalen en voldoende over te houden voor voedsel, persoonlijke verzorging, schoolkosten voor hun kinderen en andere basisbehoeften. Huishoudens die behalve een laag inkomen ook nog schulden hebben, zitten vaak nog meer in de knel. Om deze groep te ondersteunen hebben het Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders (SMN) en het Inspraakorgaan van Turken in Nederland (IOT) het project Ambassadeurs Armoedebestrijding opgezet.

Armoede is een lastig en complex probleem. Veel van de oplossingen voor het armoedeprobleem liggen buiten onze individuele invloedssfeer. Toch zijn er veel inspirerende voorbeelden van mensen die zich op kleine schaal in allerlei projecten sterk maken tegen armoede. Door verbinding te zoeken met die bestaande initiatieven en ook zelf lokaal initiatief te nemen, dragen de Ambassadeurs bij aan het bestrijden van armoede. Zij kunnen in hun eigen netwerken een verschil maken.

Het SMN en het IOT hebben samen 40 vrijwilligers bereid gevonden om in hun eigen omgeving als Ambassadeur Armoedebestrijding aan de slag te gaan.

Vanaf 1 november 2015 voert het SMN het programma Weerbaarheid tegen Jihadistische radicalisering uit.
Door middel van trainingen van sleutelpersonen, voorlichtingsbijeenkomsten en andere activiteiten wil het SMN een positieve en proactieve beweging tot stand te brengen waardoor het vraagstuk van radicalisering uit de taboesfeer wordt gehaald en in alle openheid wordt besproken.

Het uiteindelijke doel is om radicalisering tegen te gaan en weerbaarheid te vergroten door de Marokkaanse gemeenschap in haar kracht te zetten, (verder) te motiveren en tools in handen te geven waardoor zoveel mogelijk mensen weten hoe ze signalen van radicalisering kunnen herkennen, wat ze moeten doen in geval van (dreigende) radicalisering en waar ze terecht kunnen voor hulp.

Door middel van het project wil het SMN alle initiatieven en experts op het gebied van radicalisering verbinden en kennis, tools en ervaringen delen.

Meer informatie? Bezoek de website

Het SMN stelt de Hulplijn Radicalisering (+31 6 818 93 529) beschikbaar voor ouders en familieleden, die zich zorgen maken over hun kind dat (misschien) aan het radicaliseren is. De SMN Hulplijn Radicalisering is een onafhankelijk initiatief, waarbij ouders met hun situaties op een professionele en vertrouwelijke manier worden opgevangen. De gesprekken zijn vertrouwelijk en worden niet met derden gedeeld. Bezoek de website

Vanaf januari 2015 heeft het SMN (Samenwerkingsverband van Marokkaanse Nederlanders) een telefonische hulplijn gelanceerd voor ouders van radicaliserende kinderen. Het SMN heeft sindsdien kunnen vaststellen dat de hulplijn duidelijk in een behoefte voorziet. Niet alleen ouders en familieleden, maar ook moskeeën, zelforganisaties, gemeenten en instellingen vragen om advies en ondersteuning. Het SMN draagt vanuit eigen kracht en een positieve insteek bij aan het oplossen van maatschappelijke problemen. Dat doet het SMN zonder subsidie van de overheid.

Sinds de start van de hulplijn hebben zich ruim 100 personen en organisaties bij het SMN gemeld voor informatie, hulp en advies. Een belangrijk deel hiervan betreft hulpvragen afkomstig van ouders, familieleden en personen uit de directe omgeving van radicaliserende/geradicaliseerde jongeren. Inmiddels zijn er 30 casussen opgepakt door de vertrouwenspersonen die de familieleden ondersteunen en adviseren.

Deze – inmiddels 27 – vertrouwenspersonen zijn op vrijwillige basis actief voor de hulplijn in Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Den Haag, Delft, Gouda, Zoetermeer, Amersfoort, Zeist en Arnhem. SMN was gestart met 20 vertrouwenspersonen. Echter vanwege nieuwe hulpvragen worden naast Marokkaans-Nederlandse, ook Turks-Nederlandse en Somalisch-Nederlandse vertrouwenspersoon ingezet. SMN verwacht nog meer vertrouwenspersonen op te leiden vanwege de grote behoefte.

Bij de 30 casussen gaat het om 17 Marokkaans-Nederlandse, 8 autochtoon-Nederlandse, 1 uit voormalig Joegoslavië, 1 Turks-Nederlandse en 1 Somalisch-Nederlandse jongeren. Daaronder 17 mannen en 13 vrouwen, waarvan 16 meerderjarig en 12 minderjarig. Van 2 gevallen zijn afkomst en leeftijd onbekend. Van de 30 zijn 14 personen inmiddels afgereisd.

Het andere deel van de meldingen betreft vragen van moskeeën, zelforganisaties en sleutelpersonen, maar ook van gemeenten en maatschappelijke instellingen. Zij hebben interesse getoond in samenwerking en/of hebben ons verzocht ondersteuning en advies te bieden bij de aanpak van radicalisering. Concreet gaat het om scholen en andere jeugdinstellingen die vragen hebben over hoe zij met jongeren het gesprek over radicalisering kunnen aangaan. Moskeeën en zelforganisaties willen graag ondersteuning bij het organiseren van voorlichting. Sleutelpersonen hebben vooral behoefte aan training om radicalisering te kunnen herkennen.


Hiernaast ziet u een factsheet over 1 jaar Hulplijn Radicalisering. De Hulplijn voorziet in een grote behoefte.

In het kader van een vervolg van de Hulplijn, organiseert het SMN een reeks voorlichtingsbijeenkomsten in diverse gemeenten om ouders en sleutelpersonen uit de gemeenschap voor te lichten over het gevaar van radicalisering.